Sign. - Invloed oordeel in enquêteprocedure


Aan de orde is de vraag of Meefout en Post (gedaagden) als (voormalig) bestuurders van Meepo (eiseres) aansprakelijk zijn jegens de vennootschap Meepo voor geleden schade wegens onbehoorlijke taakvervulling. Voor aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de tekortkoming, wat moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval (HR 10 januari 1997, «jOR» 1997/29). Op Meepo rust de stelplicht en de bewijslast ter zake. Volgens vaste rechtspraak kan aan de beschikkingen van de Ondernemingskamer geen directe betekenis worden toegekend voor de rechtsverhouding tussen partijen in een civiele procedure. De rechtbank moet zelf een oordeel vellen over de vraag of Meefout en Post hun bestuurstaak onbehoorlijk hebben vervuld, waarbij de gevoerde enquêteprocedure wel een rol kan spelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het oordeel van de Ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is, over te nemen. Zij is van oordeel dat aan een rapport van een onderzoeker in casu geen waarde kan worden gehecht, omdat het rapport niet aan de minimaal daartoe te stellen motiveringsvereisten voldoet en de onderzoeker ook niet heeft gedaan wat hem door de Ondernemingskamer was opgedragen. Anders dan de Ondernemingskamer, die op grond van aannemelijkheden beslissingen neemt, heeft de rechtbank in een civiele bodemprocedure uit te gaan van de op de voet van het burgerlijk procesrecht vast te stellen feiten. Bovendien zijn in geval van bewijslevering door middel van een deskundigenbericht, bij uitblijven van zulk een bericht, op grond van de "non liquet-regel" de nadelige gevolgen hiervan voor degene die ter zake de…

Verder lezen
Terug naar overzicht