Sign. - Inzage in administratie KPNQwest


Gedaagden in de hoofdzaak, kPN, Qwest, de statutair bestuurder en de commissarissen van kPNQwest, hebben een incidentele vordering ingesteld tot inzage in de administratie van kPNQwest. Deze vordering baseren zij primair op art. 2:138 BW en subsidiair op de art. 843a en 843b Rv en art. 3:15j BW. De rechtbank is van oordeel dat wanneer bestuurders en commissarissen van een gefailleerde vennootschap op grond van art. 2:138 respectievelijk 2:149 BW worden aangesproken op kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en in het bijzonder vanwege schending van de administratieplicht, zij over de administratie van die vennootschap moeten kunnen beschikken om op basis daarvan verantwoording over het gevoerde beleid en het toezicht daarop te kunnen afleggen en zich op adequate wijze te kunnen verweren tegen de verwijten van de curatoren. Dit geldt temeer indien – zoals in het onderhavige geval – de beweerde onbehoorlijke taakvervulling zich uitstrekt over een periode van verschillende jaren en jaren geleden heeft plaatsgevonden. De curatoren hebben in het incident  afschrift gevorderd van een groot aantal e-mails en andere stukken, op grond van art. 843a Rv. De rechtbank stelt voorop dat art. 843a Rv vier cumulatieve voorwaarden verbindt aan de toewijsbaarheid van een vordering tot overlegging van stukken. De criteria zoals de curatoren die hebben geformuleerd zijn zo ruim dat sprake is van een fishing expedition. Voor de afgifte van andere stukken overweegt de rechtbank dat de protective order (in verband met een discovery proceeding in de VS) weliswaar het gebruik verbiedt van de stukken door de curatoren in andere procedures, maar geenszins de mogelijkheid uitsluit dat gedaagden zelf in een andere procedure…

Verder lezen
Terug naar overzicht