Sign. - Ken uw cliënt en bewijslast


De rechtbank stelt voorop dat art. 4:23 lid 1, onderdeel b Wft aldus moet worden uitgelegd dat bij de vraag of Inhout aan haar daarin geformuleerde zorgplicht heeft voldaan, te weten het geven van een geschikt advies, niet als maatstaf dient te worden gehanteerd of het advies van Inhout naar het oordeel van de toezichthouder het best mogelijke advies is, maar of gelet op de voorhanden gegevens als bedoeld in onderdeel a van dat artikellid het advies – naar objectieve maatstaven – in redelijkheid kon worden gegeven. Een redelijke bewijslastverdeling brengt verder met zich dat op de afM de bewijslast rust aan te tonen dat niet is voldaan aan de in art. 4:23 lid 1, onderdeel b Wft neergelegde zorgplicht en dat op Inhout de bewijslast rust aan te tonen dat zij de nodige informatie heeft ingewonnen als bedoeld in onderdeel a van dat artikellid, met dien verstande dat, indien Inhout aantoonbaar informatie heeft ingewonnen, het op de weg van de afM ligt om aannemelijk te maken dat de beschikbare informatie niet toereikend is om een zorgvuldig advies te kunnen geven. aan de hand van deze maatstaven is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat Inhout zowel onderdeel a als onderdeel b van art. 4:23 lid 1 Wft heeft overtreden. Hieruit volgt dat de afM in beginsel de bevoegdheid toekwam Inhout op grond van art. 1:79 Wft een last onder dwangsom op te leggen. (Rb. Rotterdam 9 juni 2011, «JOR» 2011/292, m.nt. mr. F.M.A. 't Hart)

Verder lezen
Terug naar overzicht