Sign. - Kennelijk onredelijk ontslag. Toepassing kantonrechtersformule, geen correctie


De bedrijfseconomische noodzaak tot reorganisatie staat vast. Dit neemt echter niet weg dat op grond van het gevolgencriterium het ontslag toch kennelijk onredelijk geacht moet worden. Met de medewerkers van werkgever, althans met werknemer, is niet over de reorganisatie gesproken en de reorganisatie is ook niet aan de (centrale) ondernemingsraad voorgelegd. Werknemer werd over zijn ontslag ingelicht op 30 mei 2007 terwijl een dag tevoren de ontslagvergunning bij het CWI was aangevraagd. Twee maanden daarna was het einde van het dienstverband een feit. Hij heeft een forse inkomensdaling moeten incasseren en zijn positie als 47-jarige op de arbeidsmarkt is niet gemakkelijk, temeer niet omdat ondanks zijn verzoek daartoe werkgever hem niet in de gelegenheid heeft willen stellen cursussen te volgen om tekenvaardigheid op de computer te verwerven. Naast de reguliere inkomensdaling ziet werknemer ook pensioenrechten verloren gaan, verliest hij een collectieve ziektekostenverzekering en lijdt hij imagoschade. Het in deze omstandigheden, na een dienstverband van tien jaar achterwege laten van een behoorlijke ontslagvergoeding maakt het onverhoedse en in een periode van slechts twee maanden gerealiseerde ontslag kennelijk onredelijk, temeer nu niet gesteld of gebleken is dat werkgever niet in staat was om een behoorlijke ontslagvergoeding te betalen. Anders dan werkgever bepleit gaat het hier niet om door werknemer te bewijzen schade, maar om een billijke schadevergoeding waarbij omwille van het beginsel van gelijke gevallen gelijk aansluiting moet worden gezocht bij de billijkheidsvergoeding zoals bedoeld in art. 7:685 van het Burgerlijk Wetboek en de maatstaf die de kantonrechtersformule biedt. Dat leidt in dit ontslag om bedrijfseconomische redenen tot een zogenoemde neutrale vergoeding van – afgerond – € 70.000 bruto.

(Ktr. ’…

Verder lezen
Terug naar overzicht