Sign. - Kennelijk onredelijk ontslag. Toepassing kantonrechtersformule met standaardcorrectie 30%


Werknemer (56 jaar) is op 1 juli 1970 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de BV, laatstelijk als medewerker in de functiegroep Ontwerp en Architectuur tegen een salaris van € 3.698. De arbeidsovereenkomst is wegens bedrijfseconomische redenen tegen 30 juni 2005 met toestemming van de CWI opgezegd. In eerste aanleg heeft de rechter geoordeeld dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag en een schadevergoeding van € 25.000 toegewezen. Werknemer vordert schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag ter hoogte van de kantonrechtersformule met C = 1 (€ 171.735).
Allereerst verwijst het hof naar zijn eerdere rechtspraak waarin tot uitdrukking is gekomen dat bij een kennelijk onredelijk ontslag de formule A x B x C x 70% wordt gehanteerd (LJN BF7002, BF6720, BF6790, BF6960, BF7077, BF8122 en BF8136). Vervolgens geeft het hof een (nadere) toelichting op deze formule. Zo overweegt het hof onder meer dat de formule uitgaat van een ‘geïntegreerde toets’. De vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is en zo ja, welke vergoeding dient te worden toegekend vindt derhalve in een keer plaats. Uitdrukkelijk wijst het hof erop dat deze formule niet impliceert dat indien geen vergoeding wordt toegekend, het ontslag per definitie kennelijk onredelijk is. Vervolgens benadrukt het hof dat de C-factor geen statisch gegeven mag zijn. Het uitgangspunt ‘
C = 1, tenzij’ is derhalve onjuist. Daarnaast gaat het hof uitdrukkelijk in op de verhouding kennelijk onredelijk ontslagprocedure en de ontbindingsprocedure. Ten slotte merkt het hof op dat zijn formule niet op gespannen voet staat met het recent gewezen arrest Dahri/Vianen Beton (…

Verder lezen
Terug naar overzicht