Sign. - Kinderalimentatie. Vaststelling behoefte in een situatie dat de ouders niet hebben samengewoond


Hoewel partijen al voor de geboorte van de minderjarigen gescheiden woonden, staat vast dat zij tot in 2010 een affectieve relatie hebben gehad. De man verbleef zeer geregeld bij de moeder en de minderjarigen in huis. De minderjarigen hebben derhalve meegeprofiteerd van het inkomen van de man. Naar het oordeel van het hof is de rechtbank bij het vaststellen van de behoefte van de minderjarigen dan ook terecht uitgegaan van het gezamenlijke netto-inkomen van partijen, te verminderen met de woonlasten die de man heeft voor zijn woning. Nu het hof dit oordeel van de rechtbank volgt en de man voor het overige geen grief heeft gericht tegen de berekening van het eigen aandeel van de moeder en de man in de kosten van de minderjarigen zoals de rechtbank deze heeft gemaakt, staat vast dat dit eigen aandeel € 332 per maand en per kind bedraagt.
De juistheid van de stelling van de man dat partijen zijn overeengekomen dat de man aan de moeder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zou voldoen van € 140 per maand per kind, kan in het midden blijven nu er sprake is van een wijziging van omstandigheden, gelegen in het feit dat het inkomen van de moeder is gedaald. Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

(Gerechtshof 's-Gravenhage 1 februari 2012, LJN BV8265)

Verder lezen
Terug naar overzicht