Sign. - Koopovereenkomst met curator


Als uitgangspunt geldt dat de aansprakelijkheid van de curator q.q. wordt getoetst aan de "gewone" betamelijkheidsnorm van art. 6:162 lid 2 BW. Of de curator pro se aansprakelijk is, hangt af van de vraag of een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden tot de desbetreffende gedragslijn heeft kunnen komen. Daarbij is vereist dat de curator persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen en dat hij heeft gehandeld terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien. Voor de aansprakelijkheid pro se geldt derhalve een hogere drempel dan voor de aansprakelijkheid q.q. Dit betekent dat, indien de curator q.q. niet aansprakelijk is, aan de vraag of de curator pro se aansprakelijk is niet wordt toegekomen. Partijen hebben een koopovereenkomst met betrekking tot het onderhanden werk gesloten onder de opschortende voorwaarde van toestemming van de rechtercommissaris. Na het tot stand komen van de koopovereenkomst, maar voor het in vervulling gaan van de opschortende voorwaarde, heeft de curator een hoger bod ontvangen. Tussen partijen is in geschil of de curator dit hogere bod in behandeling had mogen nemen en of hij dit bod had mogen doorgeleiden aan de rechtercommissaris. De beantwoording van die vragen hangt af van de uitleg van de koopovereenkomst. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Eiseres wist dat het onderhanden werk werd aangeboden in het…

Verder lezen
Terug naar overzicht