Sign. - Kredietvergoeding


Aan de vordering heeft Hoist kredit aB een kredietovereenkomst ten grondslag gelegd, in de nakoming waarvan geïntimeerde zodanig toerekenbaar is tekortgeschoten dat het restantsaldo ineens opeisbaar is geworden. Op grond van art. 33 aanhef en onder c sub 1 Wck is het door de kredietnemer verschuldigde vervroegd opeisbaar indien de kredietnemer gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en, na daartoe in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van betalingsverplichtingen. Het hof stelt vast dat aan deze bepaling is voldaan. De vordering van Hoist zou in beginsel kunnen worden toegewezen, echter het hof constateert dat naast de contractuele kredietvergoeding aan geïntimeerde kosten in rekening zijn gebracht: een bedrag met de omschrijving "beschermingsplan" en een bedrag met de omschrijving "overige kosten". Ex art. 34 Wck is het de kredietgever niet toegestaan om andere of hogere vergoedingen bij de kredietnemer in rekening te brengen dan de in dat artikel, limitatief, genoemde. art. 34 Wck voorziet niet in het in rekening brengen van de door Hoist gevorderde overige kosten, zodat deze zullen worden afgewezen. Voor de gevorderde kosten van het beschermingsplan geldt het volgende. Uit de MvT van de Wck blijkt dat het begrip kredietvergoeding in de zin van de Wck ook vergoedingen bevat ter zake van dienstverlening die verder gaan dan het 'puur' verlenen van krediet, maar die overigens een regulier karakter hebben. Hoist heeft geen informatie verschaft over de aard van het onderhavige beschermingsplan, maar het hof neemt aan dat hier sprake is van additionele dienstverlening als bedoeld in de MvT. De vraag is vervolgens of het maximum van…

Verder lezen
Terug naar overzicht