Sign. - Lastgeving boedel te vertegenwoordigen


Van een vorderingsgerechtigdheid op grond van een lastgeving met volmacht is geen sprake. Niet alleen heeft appellante onvoldoende feiten of stellingen aangedragen op grond waarvan kan worden aangenomen dat zij de opdracht of bevoegdheid heeft om in rechte namens de boedel op te treden, ook is in geval van onmiddellijke vertegenwoordiging op grond van volmacht van cruciaal belang dat de gevolmachtigde deze hoedanigheid aanstonds vermeldt. Een eisende partij die niet reeds bij dagvaarding heeft gesteld (mede) op te treden als gevolmachtigde van een met name genoemde volmachtgever, kan niet hangende de procedure die hoedanigheid alsnog aannemen door op de voet van art. 130 Rv haar eis te veranderen. De vraag resteert of appellante de bevoegdheid heeft om op grond van lastgeving zonder volmacht de rechtsvordering van de boedel op eigen naam in te stellen. Bij een dergelijke middellijke vertegenwoordiging waarin wordt geprocedeerd op grond van lastgeving maar in eigen naam, behoeft de lasthebber niet in de dagvaarding te vermelden dat hij optreedt voor de belangen van de derde. Echter, nu appellante is geconfronteerd met het verweer van geïntimeerde dat zij niet de werkelijke crediteur is en geïntimeerde haar bevoegdheid betwist, zal appellante moeten stellen en bewijzen dat zij op grond van een lastgevingsovereenkomst met de curator bevoegd is de vordering van de boedel op eigen naam te incasseren. De enkele door appellante overgelegde correspondentie met de curator, is daartoe onvoldoende, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van geïntimeerde ter zake. Overeenkomstig het door haar gedane (algemene) bewijsaanbod zal appellante worden toegelaten tot het leveren van het bewijs van haar stelling. Biemans bespreekt aan de hand van het (tussen)arrest (i…

Verder lezen
Terug naar overzicht