Sign. - Legitieme vordering ten laste van langstlevende partner direct opeisbaar


Uit het huwelijk van M en V is dochter D geboren. In 1995 maakt M een testament, waarin hij D onterft en een deel van de tot zijn nalatenschap behorende goederen legateert aan V (tegen inbreng van de waarde). Na het overlijden van M doet D een beroep op haar legitieme portie. Voor de rechtbank is in geschil of haar vordering direct opeisbaar is. De nalatenschap is onder het nieuwe erfrecht opengevallen, zodat de wettelijke verdeling van toepassing is, tenzij de erflater bij testament heeft bepaald dat afdeling 4.3.1 BW buiten toepassing blijft (artikel 4:13 BW).
De rechtbank is van oordeel dat het testament van M zodanig moet worden uitgelegd dat de wettelijke verdeling niet geldt. Achtergrond van de wettelijke verdeling is immers te verzekeren dat de achterblijvende partner 'ongestoord kan voortleven'. Ook onder het oude erfrecht waren er mogelijkheden om dit via een testament te waarborgen. M heeft hier kennelijk geen gebruik van willen maken. Hij heeft weliswaar het merendeel van zijn goederen aan V gelegateerd, maar daarbij ook bepaald dat er direct afgerekend dient te worden. Juist dit laatste vormt in het algemeen de reden dat de achterblijvende echtgenoot niet 'ongestoord kan voortleven'. Uit het feit dat M heeft bepaald dat er direct afgerekend dient te worden, leidt de rechtbank af dat het 'ongestoord voort kunnen leven' bij M niet vooropstond, casu quo dat M het voor het 'ongestoord voort kunnen leven' niet noodzakelijk achtte dat niet direct afgerekend behoefde te worden.
Nu het testament ten behoeve van V is opgemaakt, moet vervolgens worden bezien of haar positie door artikel…

Terug naar overzicht