Sign. - Loonsanctie, onvoldoende re-integratie door werkgever, waarde oordeel arboarts versus UWV


Het UWV legt na einde wachttijd een loonsanctie op aan de werkgever (art. 25 lid 9 Wet WIA), omdat de werkgever zonder deugdelijke grond niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. De werkgever heeft geen re-integratie-inspanningen verricht en heeft zich daarbij laten leiden door informatie van de werkneemster, de adviezen van de bedrijfsarts en de informatie uit de behandelend sector. De bedrijfsarts oordeelde dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GDBM) waren en dat er dus geen re-integratie kon/hoefde plaats (te) vinden. Het UWV is het daar niet mee eens en oordeelt dat het advies van de bedrijfsarts onjuist was én dat die fout aan de werkgever moet worden toegerekend. De rechtbank is het daar niet mee eens en oordeelt dat de inschakeling van een bedrijfsarts de werkgever niet ontslaat van zijn verantwoordelijkheid. Bij het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid wordt geen lsquorisicoaansprakelijkheidrsquo aangenomen ten aanzien van het medische oordeel en advies van een bedrijfsarts. Uitgangspunt is dat een werkgever van het oordeel en advies van de bedrijfsarts uit mag gaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid of de consistentie daarvan. In casu waren die omstandigheden er niet, zodat de loonsanctie wordt vernietigd. (Rb. Rotterdam 7 augustus 2009, LJN BJ5468)

(Rb. Rotterdam 7 augustus 2009, LJN BJ5468)

Verder lezen
Terug naar overzicht