Sign. - Loonvordering ex art. 7: 628 lid I BW, uitleg schikking tussen partijen,
Haviltex-criterium


Werknemer is op 8 november 1999 in dienst getreden bij werkgeefster als productiemedewerker. Werkgeefster heeft werknemer op 26 augustus 2002 ontslagen op staande voet. Werknemer heeft werkgeefster op 26 augustus 2003 gedagvaard en gevorderd een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet onrechtmatig was en voorts doorbetaling van zijn loon c.a., alsmede de wettelijke rente en verhoging. Werkgeefster heeft op haar beurt de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden. Dit verzoek is op 18 april 2003 mondeling behandeld door de kantonrechter, waarna partijen tijdens een schorsing mondeling een schikking zijn overeengekomen, met in elk geval de volgende voorwaarden: 1) intrekking van het ontslag op staande voet, 2) het laten vervallen van de voorwaarde van het ontbindingsverzoek, 3) een eenstemmig verzoek van partijen om de arbeidsovereenkomst per 18 april 2003 te ontbinden, onder toekenning van een vergoeding van twee bruto maandlonen en 4) royement van de aangevangen loonvorderingsprocedure. De kantonrechter heeft overeenkomstig het verzoek van partijen ontbonden en de loonvorderingsprocedure is nadien op verzoek van de werknemer geroyeerd. Werknemer heeft werkgeefster opnieuw gedagvaard, omdat werknemer van mening is dat hij aanspraak kan maken over het loon vanaf datum van het ontslag op staande voet (26 augustus 2002) en ontbinding (18 april 2003) op grond van art. 7:628 lid 1 BW. Werkgeefster stelt zich op het standpunt dat de vergoeding die partijen zijn overeengekomen in de schikking ter finale kwijting strekte en dat zij derhalve geen loon is verschuldigd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat - door het doen horen van de kantonrechter die het ontbindingsverzoek heeft behandeld en de betrokken griffier als getuigen - …

Verder lezen
Terug naar overzicht