Sign. - M. Heima, ‘Verlofstuwmeren van (arbeidsongeschikte) werknemers in aantocht?'


De auteur bespreekt de gevolgen van de uitspraak van het Hof van Justitie EG in de zaken Schultz-Hoff en Stringer (HvJ EG 20 januari 2009, nr. C-350/06, «JAR» 2009/58). Allereerst wordt het Nederlandse stelsel betreffende vakantieopbouw en opname van vakantie tijdens ziekte besproken. In art. 7:642 BW is geregeld dat de aanspraak op vakantiedagen na vijf jaar verjaart. Ook tijdens ziekte kunnen vakantiedagen verloren gaan door verjaring. In genoemde uitspraak gaat het om werknemers die de opgebouwde vakantiedagen niet hadden kunnen opnemen als gevolg van ziekte. De vakantiedagen kwamen te vervallen op grond van respectievelijk Duits en Brits recht. Op grond van Europees recht is het de lidstaten toegestaan wetgeving te maken op basis waarvan vakantierechten komen te vervallen, mits de werknemer daadwerkelijk de kans heeft gehad zijn vakantierechten op te nemen. Als een werknemer zijn vakantierechten niet heeft kunnen opnemen in verband met ziekte, dan heeft hij niet daadwerkelijk de kans gehad, zodat het Europees recht eraan in de weg staat dat de vakantierechten komen te vervallen. Indien de arbeidsovereenkomst eindigt en er vakantierechten lsquoopen staanrsquo, en de werknemer heeft niet daadwerkelijk de kans gehad die op te nemen, dan moet er een financiële compensatie worden gegeven voor die vakantierechten door de werkgever. Ten slotte is de auteur van mening dat de eerste twee volzinnen van art. 7:635 lid 4 BW in strijd zijn met Europees recht. Er mag volgens het hof geen onderscheid worden gemaakt tussen geheel en gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid wat betreft de opbouw van vakantiedagen. Nu art. 7:635 lid 4 BW dat wel doet…

Verder lezen
Terug naar overzicht