Sign. - Matiging boete


 

Vraag is of de rechtbank terecht de aan appellant opgelegde boete van € 50.865 in stand heeft gelaten. Daartoe overweegt het College allereerst dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat appellant art. 10 Wfd heeft overtreden. Het College is van oordeel dat art. 74 lid 4 Wfd het kader vormt waarbinnen kan en behoort te worden beoordeeld of de in de bijlage voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en de ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet reeds bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden. Het College is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat de door de AFM opgelegde (en gematigde) boete in dit geval niet in stand kan blijven. De AFM heeft in vergelijkbare zaken waarin de bepalingen uit de Wfd en de Wft inhoudende het verbod op bemiddeling zonder vergunning zijn overtreden, de boetes aanzienlijk verder gematigd dan in de onderhavige zaak. In de specifieke omstandigheden van die zaken en van de onderhavige zaak zijn onvoldoende aanknopingspunten voor een rechtvaardiging van een dermate significant verschil in de hoogte van de opgelegde boetes. Het College ziet dan ook aanleiding de aan appellant opgelegde boete verder te matigen dan de AFM heeft gedaan. Het hoger beroep slaagt, voor zover het de hoogte van de boete betreft. affourtit noemt de uitspraak interessant in verband met de toepassing van het gelijkheidsbeginsel en gaat onder andere in op de vraag in welke…

Verder lezen
Terug naar overzicht