Sign. - Mededelingsplicht DSB over verhoogd toezicht


Eisers (tot verificatie) zijn, met tussenpozen, in totaal vijf overeenkomsten van achtergestelde lening aangegaan met de bank. Pas nadat zij waren geconfronteerd met (de gevolgen van) het faillissement van de bank hebben zij zich beroepen op het bepaalde in art. 4:28 Wft. Niet gesteld of gebleken is dat de ingeroepen ontbinding in verband staat met nadere informatie die aan eisers is verstrekt. Doel van dat beroep was en is onmiskenbaar slechts het ontkomen aan de achterstelling. Dat is een ander doel dan waarvoor de in art. 4:28 Wft opgenomen ontbindingsbevoegdheid is gegeven, zodat eisers misbruik maken van hun bevoegdheid door zich thans, achteraf, te beroepen op art. 4:28 Wft (en, in het verlengde daarvan, art. 4:29 lid 4 Wft). Zij kunnen daarom ook indien juist zou zijn dat niet alle in art. 77 Bgfo Wft bedoelde informatie is verstrekt, geen beroep meer doen op de daarin neergelegde ontbindingsbevoegdheid. Het beroep op dwaling richt zich op de schending van een op de bank rustende mededelingsplicht ter zake van de aan de achtergestelde leningen verbonden concrete risico's in verband met de interne organisatie en de financiële toestand van de bank. In zoverre treft het doel. Of er in een concreet geval een mededelingsplicht bestaat, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de te sluiten overeenkomst en de bij de contractsluitende partijen aanwezig te achten kennis en kunde. De overeenkomsten van achtergestelde geldlening werden aangeboden aan particuliere partijen. In die verhouding rust op de bank als ter zake deskundige financiële onderneming de…

Verder lezen
Terug naar overzicht