Sign. - Medezeggenschapsrechten bij overgang van onderneming


In dit artikel gaat de auteur in op de medezeggenschapsrechten bij overgang van onderneming. Zij besteedt aandacht aan art. 6 van Richtlijn 2011/23/EG (de Richtlijn) die het behoud van medezeggenschap bij overgang van onderneming regelt. Daarna gaat zij in op het arrest UGT-FSP («JAR» 2010/217, gesignaleerd in TAP 2010, 6, p. 256-257), waarin het Hof van Justitie EU voor het eerst het begrip lsquoeenheid' in de zin van art. 6 uitlegt. De Nederlandse wetgever achtte expliciete implementatie van art. 6 van de Richtlijn overbodig omdat op grond van de WOR de onderneming en de ondernemingsraad (OR) een ongedeelde eenheid vormen en dit de medezeggenschapsrechten uit de Richtlijn voldoende zou waarborgen. Donselaar concludeert dat indien een onderneming als eenheid overgaat inderdaad aan art. 6 alinea 1 van de Richtlijn is voldaan. Indien de onderneming niet als eenheid overgaat, kan gelet op het arrest UGT-FSP echter niet worden gesproken van adequate implementatie. Zij bekijkt vervolgens op welke wijze Duitsland en België het behoud van medezeggenschap bij overgang van onderneming hebben geregeld. Op basis hiervan concludeert de auteur dat de Nederlandse wetgever ongelijk had toen hij stelde dat expliciete implementatie van art. 6 van de Richtlijn in Nederland overbodig is. De Nederlandse wetgever had beter een voorbeeld kunnen nemen aan de manier waarop Duitsland en België art. 6 van de Richtlijn hebben geïmplementeerd. Om ervoor te zorgen dat de medezeggenschapsrechten bij overgang van onderneming ook in Nederland voldoende zijn gewaarborgd, sluit de auteur af met een aantal, op de Duitse en Belgische wetgeving gebaseerde, …

Verder lezen
Terug naar overzicht