Sign. - Meerderheidsaandeelhouder vormt ‘groep’ met belanghebbende


Eén van de voorwaarden voor toepassing van de thincapregeling van art. 10d Wet Vpb 1969 is dat belastingplichtige deel uitmaakt van een 'groep' in de zin van art. 2:24b BW. in casu worden de aandelen in belanghebbende X BV gehouden door twee vennootschappen in de verhouding 60/40 in het kader van een joint venture. Onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak van 18 november 2011, nr. 10/01719, oordeelt de Hoge Raad dat weliswaar het bezit van een meerderheidsbelang niet noodzakelijkerwijs leidt tot een groepsrelatie tussen een moedermaatschappij en een dochtermaatschappij, maar een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de partij die zich erop beroept dat ondanks de aanwezigheid van een meerderheidsbelang een groepsrelatie ontbreekt de daarvoor relevante feiten en omstandigheden dient te stellen en zo nodig aannemelijk te maken. X BV heeft dergelijke feiten en omstandigheden niet gesteld. De Hoge Raad oordeelt derhalve dat X BV in een groep is verbonden met haar 60% meerderheidsaandeelhouder en de rente op haar schulden (gedeeltelijk) in aftrek wordt beperkt door toepassing van art. 10d Wet Vpb 1969.
(HR 21 september 2012, nr. 10/02824)

Verder lezen
Terug naar overzicht