Sign. - Misleidende handelspraktijken


De mogelijke toepasselijkheid van de Wft brengt niet reeds met zich dat de aFM niet bevoegd is op te treden op grond van de Whc. Gelet op art. 6:193b lid 1 BW handelt een handelaar onrechtmatig jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is. Een handelspraktijk is in het bijzonder oneerlijk indien een handelaar een misleidende handelspraktijk verricht als bedoeld in de art. 6:193c t/m 6:193g BW, of een agressieve handelspraktijk verricht als bedoeld in de art. 6:193h en 6:193i BW. Nu in art. 8:8 Whc is bepaald dat een handelaar de bepalingen van afdeling 3a van Titel 3 van Boek 6 BW in acht neemt, terwijl art. 8:8 Whc voor zover betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit is opgenomen in onderdeel d van de bijlage bij de Whc en ten slotte art. 3.4 Whc de dwangsom- en boetebevoegdheid van de aFM koppelt aan overtreding van onderdeel d van de bijlage, levert de kwalificatie dat sprake is van een misleidende en agressieve handelspraktijk als bedoeld in art. 6:193c lid 1 en art. 6:193i aanhef en onder c BW de juridische grondslag op voor het opleggen van deze sancties. Van de zijde van a is sprake geweest van het verstrekken van misleidende informatie. Nu in de drie door de aFM in aanmerking genomen telefoongesprekken zeer stellige uitspraken zijn gedaan omtrent het te verwachten rendement en de risico's zijn verzwegen dan wel ontkend, is sprake geweest van misleidende informatieverstrekking. Nu deze gesprekken zijn gericht op het tot stand brengen…

Verder lezen
Terug naar overzicht