Sign. - Nominaliteitsleer op vergoedingsrecht dat vóór 1 januari 2012 was ontstaan


Het huwelijk van M en V is in 2011 door echtscheiding ontbonden. Partijen twisten over de vraag of de nominaliteits- dan wel de beleggingsleer geldt op het vergoedingsrecht dat V op M heeft door investeringen in de onroerende zaken van M.
Het hof stelt vast dat bij vergoedingsrechten die zijn ontstaan vóór 1 januari 2012 moet worden uitgegaan van de nominaliteitsleer, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waardoor het onaanvaardbaar is dat V slechts aanspraak kan maken op de nominale vergoeding (HR 12 juni 1987, NJ 1988, 150 (Kriek/Smit)). M en V hebben om zakelijke redenen huwelijkse voorwaarden opgesteld, maar hebben zich in de praktijk gedragen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren. Er was sprake van een klassieke man/vrouwverhouding, waarbij M meer dan fulltime in zijn bedrijf werkte en V voor het gezin zorgde en waar mogelijk ook meewerkte in M's onderneming. Volgens het hof is de vermogenspositie van M, vanwege een enorme schuldenlast, dusdanig slecht dat de door V aangevoerde bijzondere feiten en omstandigheden, bezien tegen de door M gestelde feiten en omstandigheden, geen afwijking van de nominaliteitsleer rechtvaardigen.

(Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6562)

Terug naar overzicht