Sign. - Ohra flexbeleg – huurkoop


Het hof heeft aan de hand van de Haviltexmaatstaf geoordeeld dat art. 3 van de overeenkomst inhoudt dat Ohra zich niet alleen heeft verbonden het overeengekomen geldbedrag aan gruia te lenen, maar ook om hem (een vordering tot het beloop van) de aandelen te verkopen (waarmee het hof kennelijk bedoelt: verschaffen), voor de aankoop waarvan het geleende bedrag was bestemd. Het oordeel van het hof dat onder de door het hof genoemde omstandigheden de overeenkomst aldus moet worden uitgelegd dat Ohra als verkoper moet worden aangemerkt en niet slechts als bemiddelaar, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af het betoog dat een overeenkomst als de onderhavige volgens het financiële toezichtrecht wordt aangemerkt als effectenbemiddeling en volgens staande praktijk civielrechtelijk als een overeenkomst van lastgeving. Dat het in het onderhavige geval gaat om een overeenkomst die kenmerken van verschillende overeenkomsten draagt, staat er niet aan in de weg dat het hof in de gegeven omstandigheden de overeenkomst tevens als koopovereenkomst kon aanmerken. Het hof heeft de overeenkomst aldus uitgelegd dat de door gruia verschuldigde termijnbedragen voor de toepassing van art. 7A:1576 BW rechtens zijn aan te merken als termijnbetalingen van de koopprijs. Dat oordeel waarbij het hof – door de geldleenconstructie heen kijkend – tot de slotsom kwam dat sprake is van een overeenkomst van koop op afbetaling, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Het hof heeft vervolgens onder verwijzing naar art. 3:246 BW overwogen dat het medegedeelde pandrecht tot gevolg had dat niet gruia, maar alleen Ohra de vordering op de…

Verder lezen
Terug naar overzicht