Sign. - Onbevoegde debitering


De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 januari 2001 («jOR» 2001/51, Standard Groep Holland/ING Bank) geoordeeld dat indien een bank een girale betaling verricht ten laste van de rekening van een rekeninghouder die, zoals in het onderhavige geval, daartoe geen geldige opdracht had gegeven, de bank het aldus door haar betaalde bedrag niet ten laste van deze rekeninghouder zal mogen brengen. Een dergelijke betaling kan evenwel tot gevolg hebben dat de rekeninghouder ongerechtvaardigd wordt verrijkt, bijvoorbeeld indien door de betaling een schuld van de rekeninghouder is tenietgegaan. In zodanig geval zal de bank niet kunnen verlangen dat de rekeninghouder zonder meer het op de rekening van de begunstigde bijgeschreven bedrag aan de bank vergoedt. Wel zal de bank op de voet van art. 6:212 BW, voor zover dit redelijk is, vergoeding kunnen verlangen van de schade die zij daardoor heeft geleden, tot het bedrag waarmee de rekeninghouder is verrijkt. Daarbij is het aan de bank te stellen en te bewijzen dat aan de vereisten van art. 6:212 BW is voldaan. Het is een bank ook niet toegestaan een ten onrechte betaald bedrag te boeken in het debet van een eventueel tussen haar en de rekeninghouder bestaande rekening-courant. Is een zodanige boeking verricht, dan zal de bank die boeking ongedaan moeten maken. Doorgaans zal uit de aard van de overeenkomst tussen een bank en haar cliënt voortvloeien dat ook een vordering tot vergoeding van schade op de voet van art. 6:212 BW niet in de rekening-courant thuis hoort. In dat geval zal de vordering tot vergoeding van…

Verder lezen
Terug naar overzicht