Sign. - Onderlinge draagplicht


Het wettelijke uitgangspunt is dat borgen intern draagplichtig zijn naar evenredigheid van de bedragen waarvoor zij op het tijdstip van de voldoening jegens de schuldeiser aansprakelijk waren (art. 7:869 jo. 6:152 BW). Uit de onderlinge rechtsverhouding tussen de borgen kan echter een andere verdeling voortvloeien. Het belang of de verhouding in het belang dat medeborgen hebben bij een onderneming waarvoor zij borg staan, kan een factor zijn bij de vaststelling van hun onderlinge draagplicht. Indien (de verhoudingen in) deze belangen wijzigen kan daaruit voortvloeien – afhankelijk van alle omstandigheden van het geval – dat ook de onderlinge draagplicht ingevolge de overeenkomst van borgtocht wijzigt. In het onderhavige geval kan er op basis van de omstandigheden redelijkerwijs niet meer van worden uitgegaan dat eiser en gedaagde onderling voor gelijke delen dienen (bij) te dragen. De rechtsverhouding tussen eiser en gedaagde, die aanvankelijk meebracht dat zij (ingevolge de hoofdregel) voor gelijke delen draagplichtig waren, is als gevolg van een aandelenoverdracht, waardoor het belang bij de Insure groep in het geheel bij eiser is komen te liggen, en gegeven de overige omstandigheden van het geval, dusdanig gewijzigd dat eiser volledig draagplichtig moet worden geacht. Onder deze omstandigheden zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn indien gedaagde nog voor een deel draagplichtig zou zijn (art. 7:865 jo. 6:2 lid 2 BW). (Rb. Amsterdam 22 december 2010, LJN BP3737, «JOR» 2011/240, m.nt. mr. R.I.V.F. Bertrams, tevens behorend bij «JOR» 2011/241)

Verder lezen
Terug naar overzicht