Sign. - Onevenredigheid belangen


Uit HR 21 mei 1999 («JOR» 1999/213, Kerkhof en Wekking/Spoelstra) en HR 10 november 2000 («JOR» 2001/42, Dantumadeel c.s./B.C. fashion Beheer) wordt afgeleid dat de rechter slechts tot het oordeel kan komen dat sprake is van misbruik van recht als vaststaat dat de bank de onevenredigheid tussen het belang om het faillissement aan te vragen en het belang van de curator verschoond te blijven van niet-verhaalbare kosten, kende of behoorde te kennen. Een afweging van de evenredigheid van de belangen die met de bevoegdheid een faillissementsverzoek te doen samenhangen, is in beginsel eerst mogelijk nadat de curator – op grond van de mogelijkheden die de wet hem biedt – zich van de hem bij de faillietverklaring opgedragen taak heeft gekweten. Bij failliet is geen vermogen aanwezig en zal binnen afzienbare tijd geen vermogen aanwezig zijn. De bank heeft het bestaan van wetenschap harerzijds van deze situatie betwist. failliet heeft in 2006 en 2007 middels een executoriaal beslag op de vordering van de bank afgelost. Hij heeft geweigerd de bank inzicht te geven in zijn financiële en persoonlijke situatie. De bank was dan ook niet op de hoogte en behoorde dat ook niet te zijn, van de persoonlijke en financiële situatie waarin failliet verkeert. Dat de bank is gebeld door de moeder van failliet, die heeft uitgelegd dat haar zoon al jaren een bijstandsuitkering heeft en verslaafd is, doet daaraan niet af. De faillietverklaring van failliet, althans het verzoek daartoe, kan onder deze omstandigheden worden beschouwd als een middel dat is geëigend om met het oog op de…

Verder lezen
Terug naar overzicht