Sign. - Ontbindende voorwaarde in arbeidsovereenkomst met gesubsidieerde arbeider niet rechtsgeldig. Ook geen arbeidsovereenkomst voor betrekkelijk bepaalde tijd


Werkneemster is op 1 juni 2000 bij werkgever in dienst getreden op basis van de lsquoregeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozenrsquo. In de aanstellingsbrief staat opgenomen dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op het moment dat de loonkostensubsidie ten behoeve van werkneemster eindigt of vermindert door wijziging of intrekking van de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen (de zogenoemde ID-regeling). Op 1 januari 2009 is de ID-regeling door de overheid beëindigd. De door werkgever aangevraagde ontslagvergunning voor zover rechtens vereist, is door de CWI geweigerd. Werkgever heeft ndash met een beroep op de ontbindende voorwaarde ndash per 1 januari 2009 de loonbetalingen gestaakt. In maart 2009 is de arbeidsovereenkomst op verzoek van werkgever voorwaardelijk ontbonden. Werkneemster heeft de (ver)nietig(baar)heid van de ontbindende voorwaarde ingeroepen, met als gevolg dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en werkgever nog bestond, en vordert loon. De kantonrechter heeft haar vorderingen afgewezen. Het hof oordeelt als volgt. In het arrest Mungra (6 maart 1992, «JAR» 1992/10) oordeelde de Hoge Raad dat een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst onverenigbaar met het gesloten stelsel van de regels betreffende beëindiging van de arbeidsovereenkomst, kan maar niet noodzakelijk behoeft te zijn. Van geval tot geval dient te worden bezien in hoeverre de strekking van voormelde regels tot nietigheid van de ontbindende voorwaarde leidt. Het hof oordeelt dat in het onderhavige geval de arbeidsovereenkomst van werkneemster niet inhoudsloos wordt door het intreden van de ontbindende voorwaarde. Door het beëindigen van de subsidie vervalt niet de mogelijkheid de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Wel valt hierdoor een groot deel van de financiële…

Verder lezen
Terug naar overzicht