Sign. - Ontslagtoestemming UWV, ontbinding, ontbindingsverzoek werknemer


Werkgever heeft op 18 juni 2009 ontslagtoestemming gevraagd bij het UWV in verband met bedrijfseconomische redenen en verwijtbaar handelen. De werknemer heeft op 22 juni 2009 een ontbindingsverzoek ingediend, waarna de werkgever op 21 augustus 2009 een tegenverzoek indient. De mondelinge behandeling vindt plaats op 27 augustus 2009. Ook op 27 augustus 2009 verleent het UWV de ontslagtoestemming, waarna de werkgever per brief van 28 augustus 2009 opzegt tegen 1 september 2009. De kantonrechter beschikt op 28 augustus 2009 dat de arbeidsovereenkomst per 16 september 2009 wordt ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer van € 135.600. De werkgever heeft haar ontbindingsverzoek ingetrokken per brief van 9 september 2009. De werkgever stelt hoger beroep in van de ontbindingsbeschikking, op de grond dat de kantonrechter ten onrechte art. 7:685 BW heeft toegepast, omdat is ontbonden tegen een datum waarop de arbeidsovereenkomst reeds was geëindigd. Het hof wijst het hoger beroep af, waarna cassatie wordt ingesteld. De Hoge Raad stelt voorop dat aan een ontbindingsbeschikking rechtsgevolg toekomt als de arbeidsovereenkomst op de ontbindingsdatum nog bestaat. Dat zou een niet toelaatbare inbreuk vormen op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De Hoge Raad oordeelt dat het mogelijk is dat zich feiten of omstandigheden voordoen waardoor een ontbindingsbeschikking geheel of gedeeltelijk geen effect meer kan sorteren ten aanzien van de rechtsbetrekking tussen de partijen die de uitspraak hebben willen regelen, maar dat dat geen grond is voor het aanwenden van een rechtsmiddel. Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat de kantonrechter het verzoek van de werkgever om de beslissing lsquoaan te houden' totdat het UWV had beschikt, ongemotiveerd naast zich had kunnen leggen…

Verder lezen
Terug naar overzicht