Sign. - Ontstaansmoment regresvordering


De Hoge Raad oordeelt in het onderhavige arrest op welk moment een regresvordering uit hoofde van art. 6:10 BW ontstaat. Hierbij overweegt de Hoge Raad dat de tekst van art. 6:10 lid 2 BW en van art. 6:11 lid 1 en 3 BW erop wijst, dat de regresvordering pas ontstaat indien de hoofdelijk verbonden schuldenaar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Deze betaling door de hoofdelijk verbonden schuldenaar is dan ook niet een voorwaarde in de zin van art. 6:21 BW (voorwaardelijke verbintenis), maar een wettelijke voorwaarde voor het ontstaan van de regresvordering. Daarop wijst ook het bestaan van art. 6:8 en 7:865 BW, die overbodig zouden zijn indien de hoofdelijk verbonden schuldenaar reeds voor de betaling een (voorwaardelijk) schuldeiser van zijn medeschuldenaren zou zijn. Daarom moet volgens de Hoge Raad anders dan is afgeleid uit een aantal eerdere uitspraken van de Hoge Raad (HR 3 juni 1994, NJ 1995, 340 (Komdeur q.q./antillen), HR 3 mei 2002, NJ 2002, 393 (Brandao/Joral) en HR 9 juli 2004, NJ 2004, 618 (Bannenberg q.q./NMB-Heller)), tot uitgangspunt dienen dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. (HR 6 april 2012, LJN BU3784, RvdW 2012, 534)

Verder lezen
Terug naar overzicht