Sign. - Ontvoeging uit fiscale eenheid


De Hoge Raad heeft in het bedoelde arrest van 10 juni 2011 («JOR» 2011/280) het door Beheer A ingestelde cassatieberoep tegen de uitspraak van de belastingkamer van dit hof van 29 april 2010 ongegrond verklaard. Daarmee is het oordeel van de belastingkamer dat op de crediteurenvrijval ten gevolge van de ontvoeging eind 2004 van failliet uit de fiscale eenheid met Beheer A het bepaalde in art. 15aj lid 3 Wet Vpb 1969 van toepassing is en Beheer A uit dien hoofde vennootschapsbelasting verschuldigd is, onherroepelijk geworden. In het tussenarrest van 28 december 2010 is reeds geoordeeld dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat vanaf de oprichting van failliet in 2000 binnen de fiscale eenheid tussen Beheer A en failliet een bestendige gedragslijn heeft bestaan, hierin bestaande dat het aan Beheer A als moedervennootschap opgekomen belastingvoordeel c.q. -nadeel als vordering van c.q. op een dochtervennootschap (in casu failliet) in rekening-courant wordt geboekt. Uit deze bestendige gedragslijn volgt het bestaan van een vordering op failliet in rekeningcourant wegens het ten gevolge van de verbreking eind 2004 van de fiscale eenheid aan Beheer A opgekomen belastingnadeel in verband met de crediteurenvrijval bij failliet. Indien er in casu van zou moeten worden uitgegaan dat eerst met de beslissing van de fiscus in of omstreeks maart 2005 de fiscale eenheid tussen Beheer A en failliet daadwerkelijk is verbroken, bepaalt die beslissing het moment waarop de litigieuze tegenvordering van Beheer A is ontstaan. Ingevolge art. 53 Fw kan een tegenvordering op de gefailleerde, ook al is zij ontstaan na de faillietverklaring, toch verrekend worden met een schuld aan de gefailleerde, indien zij voortvloeit uit…

Verder lezen
Terug naar overzicht