Sign. - Onverplichte bekrachtiging


Allereerst wordt vastgesteld dat de bekrachtiging een eenzijdige rechtshandeling is die in beginsel op grond van het bepaalde in art. 42 Fw kan worden vernietigd. De bekrachtiging is immers niet slechts een bevestiging van de feitelijk reeds door BV+R i.o. ten behoeve van failliet verrichte rechtshandelingen, maar ingevolge art. 2:93 lid 1 BW kunnen pas door de bekrachtiging uit die rechtshandeling voor failliet rechten en verplichtingen ontstaan. Nu de bekrachtiging rechten en verplichtingen van failliet jegens gedaagde heeft doen ontstaan, geldt zij in zoverre ook als jegens gedaagde verricht. Verder is de bekrachtiging onverplicht geschied. Uit wet noch overeenkomst blijkt van enige verplichting van failliet tot bekrachtiging van de door BV+R i.o. vóór de oprichting verrichte rechtshandelingen. De bekrachtiging heeft geleid tot benadeling van (de overige) schuldeisers van failliet. Als gevolg van de bekrachtiging heeft gedaagde tot verhaal van haar vorderingen op failliet de pandrechten verkregen en daarmee voorrang boven de overige schuldeisers van failliet. De overige schuldeisers krijgen hierdoor na de bekrachtiging, in plaats van met concurrente medeschuldeisers, te maken met gedaagde als preferent medeschuldeiser. Een dergelijke verschuiving in verhaalspositie brengt nadeel voor de overige schuldeisers mee (vgl. HR 8 juli 2005, «JOR» 2005/230 (Van Dooren q.q./ ABN Amro Bank)). Evenwel kan de bekrachtiging niet als een rechtshandeling om niet worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat, zoals hiervoor is opgemerkt, pas door bekrachtiging uit de door BV+R i.o. verrichte rechtshandelingen rechten en plichten voor failliet zijn ontstaan. Dit brengt mee dat failliet als gevolg van…

Verder lezen
Terug naar overzicht