Sign. - Onzakelijk en ongebruikelijk – de moeizame behandeling van afwaarderingsverliezen onzakelijke geldleningen in de tbs-sfeer


De auteur bespreekt de geldverstrekking door aandeelhouders of familieleden in de tbssfeer. Ten eerste gaat de auteur in op een aantal begrippen, waaronder het begrip "geldlening", de fiscale kwalificatie van bepaalde geldleningen als eigen vermogen, en de onzakelijke geldlening. Hierna gaat de auteur in op "de in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke geldlening", een uitbreiding van de tbsregeling. Hij vraagt zich af hoe het leerstuk van de onzakelijke geldlening uitwerkt bij de in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke geldlening. Deze belastingplichtige is niet de aandeelhouder van de bv waaraan hij de lening heeft verstrekt, zodat aandeelhoudersmotieven ontbreken. De auteur concludeert dat van een onzakelijke lening ook sprake kan zijn bij de verstrekkers van in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke leningen. Hierna gaat de auteur in op de gevolgen van het niet toestaan van het afwaarderingsverlies, waarbij hij een verschil constateert tussen art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001. Voor de aanmerkelijkbelanghouder (art. 3.92 Wet IB 2001) komt het eerder niet in aftrek toegestane verlies tot uitdrukking bij kwijtschelding van de lening in de vorm van een verhoging van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang. Een aftrekmogelijkheid ontbreekt echter voor de ondernemer (art. 3.91 Wet IB 2001). Daarbij gaat de auteur nog in op aspecten van verliesneming bij de vervreemding van een afgewaardeerde (maar nog niet in aftrek toegestaan verlies op een) lening en op liquidatie van een bv. Vervolgens behandelt de auteur de positie van de met de aandeelhouder verbonden persoon en de mogelijkheid een afwaarderingsverlies te nemen. (FTV 2013/24, J.N. Bouwman)

Verder lezen
Terug naar overzicht