Sign. - Opheffing vrijwillig ingestelde ondernemingsraad


Binnen de onderneming bestaat sinds dertig jaar een OR. In 2002, ten tijde van de afloop van een zittingsperiode, is de onderneming overgegaan tot het instellen van een vrijwillige OR op basis van art. 5a lid 2 WOR. Deze OR is in 2005 gecontinueerd (de onderneming had toen 24 werknemers). Als de OR op 27 juni 2008 (er zijn dan 36 werknemers) verzoekt om nieuwe verkiezingen, stelt de ondernemer zich op het standpunt dat hij een personeelsvertegenwoordiging (PVT) wil instellen, in plaats van de OR. Dit motiveert de ondernemer (enige tijd later) met de stelling dat sprake is van een belangrijke wijziging van omstandigheden waardoor de vrijwillige OR dient te worden opgeheven. De OR vordert in kort geding opschorting van het opheffingsbesluit van de ondernemer. De kantonrechter overweegt dat voor een opheffing van de op vrijwillige basis ingestelde OR een belangrijke wijziging van omstandigheden vereist is (zie artikel 5a lid 2 WOR). De door de ondernemer aangevoerde wijzigingen - bij de wijze van leiding geven van de nieuwe directeur zou een PVT passender zijn, de ondernemer is bereid het personeel via bijeenkomsten te horen, er zijn wijzigingen op het gebied van IT, financiën en marketing - bestonden al en het is niet duidelijk waarom deze tot opheffing van de OR moeten leiden. Duidelijk is ook dat de OR een belangrijke rol speelt in een onderneming en dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest het opheffen van een vrijwillig ingestelde OR gemakkelijk te maken. Zowel de OR als een groot deel van het personeel hebben zich vóór het voortbestaan van de OR uitgesproken, terwijl vaststaat dat niemand…

Verder lezen
Terug naar overzicht