Sign. - Oprichtersaansprakelijkheid na bevestiging door stichting


Indien een vennootschap een preconstitutieve rechtshandeling heeft bekrachtigd, maar de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, zijn degenen die namens de vennootschap i.o. hebben gehandeld ex art. 2:203 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die de wederpartij daardoor lijdt, indien zij wisten of redelijkerwijs konden weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Gaat de vennootschap binnen een jaar na oprichting failliet, dan wordt dergelijke wetenschap vermoed te bestaan. De rechtbank overweegt dat art. 2:203 lid 3 BW op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (24 januari 1997, «JOR» 1997/18 (Diva/Meijs)) ook van toepassing is op stichtingen. De Stichting Pan Schiedam is kort na 22 oktober 2007 met Hape Holding BV een huurovereenkomst aangegaan, die met terugwerkende kracht is ingegaan op 1 januari 2007. De stichting is op 17 augustus 2007 opgericht en heeft de huurovereenkomst later bekrachtigd. Op 3 juni 2008 is de stichting failliet verklaard. De rechtbank overweegt dat nu de huurovereenkomst is ondertekend na de oprichting van de stichting, art. 2:203 BW geen rol zou spelen, ware het niet dat over de essentialia van de huurovereenkomst reeds vóór 17 augustus 2007 overeenstemming was bereikt. Nu de overeenkomst is bekrachtigd, is oprichter/(middellijk) bestuurder kagenaar ex art. 2:203 BW hoofdelijk aansprakelijk, naast de stichting, voor de schade die Hape lijdt, indien hij op het moment dat de overeenkomst werd aangegaan wist of redelijkerwijs kon weten dat de stichting haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst niet zou kunnen nakomen. De stichting is gefailleerd binnen één jaar…

Verder lezen
Terug naar overzicht