Sign. - Opvolgend werkgeverschap


Art. 7:668a lid 2 BW kan ook worden toegepast wanneer de oude werkgever failliet is verklaard en de arbeidsovereenkomst met de werknemer door de curator rechtsgeldig is opgezegd (HR 14 juli 2006, «JOR» 2006/227 (Boekenvoordeel/Isik)). Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2012 («JOR» 2012/278, Van tuinen/ taxicentrale l. Wolters) is sprake van opvolgend werkgeverschap indien enerzijds de arbeidsovereenkomst van de werkgever met de werknemer wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden van de werknemer eist als dat in de overige overeenkomsten het geval is geweest, en anderzijds tussen de werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door deze laatste werkgever op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. De stelling van eiser dat een doorstartende werkgever na faillissement steeds gezien moet worden als opvolgend werkgever in de zin van art. 7:668a BW kan niet worden gevolgd. Gedaagde was niet verplicht om eiser een arbeidsovereenkomst aan te bieden, maar heeft dit binnen drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst van eiser bij failliet door de curator was opgezegd, wel gedaan. Eiser had bij gedaagde dezelfde functie en oefende dezelfde werkzaamheden uit als bij failliet. Dat tussen gedaagde en failliet zodanige banden bestonden dat het door failliet door ervaringen verkregen inzicht in eiser moet worden toegerekend aan gedaagde, is voorshands onvoldoende gebleken. Niet in geschil is bovendien dat de directeur c.q. eigenaar van gedaagde geen specifieke kennis van failliet had. Gedaagde maakte geen deel uit van een concern waartoe ook failliet…

Verder lezen
Terug naar overzicht