Sign. - Opzegging bankrelatie met coffeeshophouder


De uitoefening van de bevoegdheid de bankrelatie door opzegging te beëindigen is in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid indien in de concrete omstandigheden van het geval geen voldoende (zwaarwegende) grond bestaat voor opzegging (HR 3 december 1999, NJ 1999, 120). Hierbij moet enerzijds in ogenschouw worden genomen dat het voor rechts- en natuurlijke personen voor hun voortbestaan of functioneren van eminent belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. Anderzijds moet de maatschappelijke functie van banken in het oog worden gehouden. Deze functie verlangt van de bank de grootst mogelijke integriteit, hetgeen onder andere meebrengt dat zij zich dient te distantiëren van activiteiten die het daglicht niet kunnen verdragen. De maatschappelijke positie van de bank brengt echter ook mee dat zij de belangen van de individuele cliënt in het oog houdt en een relatie met deze slechts op grond van goede redenen en met toepassing van de vereiste zorgvuldigheid opzegt. Op 1 januari 2004 is de Regeling Customer Due Diligence (CDD) kredietinstellingen en verzekeraars van 1 november 2003 van kracht geworden, die op 1 januari 2007 is opgegaan in de Wft en het BPR. De CDDregelgeving is voorts nader uitgewerkt in de Wwft. Uit genoemde regelgeving en de toelichtingen daarop volgt naar het voorlopig oordeel van het hof dat indien een bank de rekening van een coffeeshop waarmee zij reeds een relatie heeft wil beëindigen, zij zal moeten beoordelen of bij die cliënt de risico's waartegen genoemde regelgeving bescherming beoogt te bieden, zich in de concrete omstandigheden van het geval ook daadwerkelijk voordoen. De financiële instelling kan dus niet volstaan met haar algemene beleidsopvatting dat het enkele feit…

Verder lezen
Terug naar overzicht