Sign. - Overgang van onderneming. Conclusie A-G: geen ambtshalve toetsing aan de art. 7:662 e.v. BW. Openbare orde en de art. 24 en 25 Rv


De werknemer was sinds 1968 als opleidingsdeskundige in dienst bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V. (GUO), een rechtsvoorgangster van het UWV. Op grond van zijn functie had de werknemer recht op een dienstauto voor zowel zakelijk als privégebruik. Per 1 januari 2002 ging GUO (met een aantal andere organisaties) op in het UWV en trad de werknemer in dienst bij het UWV. Met het oog daarop was een sociaal plan opgesteld dat de status van cao had. De werknemer was, als lid van een werknemersvereniging die partij was bij het sociaal plan, op de voet van art. 9 Wet CAO gebonden aan het sociaal plan. Het sociaal plan bevatte onder andere een overgangsregeling voor de autoregeling en volgens het UWV had de werknemer op basis van deze overgangsregeling vanaf 30 oktober 2005 geen recht meer op gebruik van een dienstauto. De werknemer stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ongerechtvaardigde eenzijdige wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden. De kantonrechter en het hof verwerpen dit onder verwijzing naar het sociaal plan. In cassatie voert de werknemer aan dat het hof ten onrechte aan art. 7:662 BW voorbij is gegaan. Hij betoogt dat de art. 7:662 e.v. BW van openbare orde zijn en berusten op communautair recht en de feitenrechters eventueel ambtshalve aan de art. 7:662 e.v. BW hadden moeten toetsen of de werknemer op grond van het sociaal plan na zijn indiensttreding bij het UWV zijn dienstauto had morgen verliezen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep op grond van art. 81 RO. In zijn conclusie bij het arrest van het hof…

Verder lezen
Terug naar overzicht