Sign. - Overtreding verbod steunverlening


De aandelen van failliet zijn door gedaagde sub 1 verkocht aan gedaagde sub 2. De koopprijs hiervan dient gedaagde sub 1 ten goede te komen en dat is ook gebeurd. Zij had echter een veel groter belang dan de zeer geringe waarde van de aandelen, namelijk haar vordering in rekeningcourant op failliet. Ook deze verkocht zij aan gedaagde sub 2. De koopprijs van deze vordering moest worden gedragen door de koper, gedaagde sub 2, en ten goede komen van gedaagde sub 1. Hiervoor is de volgende constructie gekozen. Voor de vordering op failliet bestond vóór de verkoop geen zekerheid. Dit betekent dat bij een mogelijk faillissement van failliet gedaagde sub 1 niet meer dan concurrent schuldenaar zou zijn. Deze positie verandert voor haar door de wijze waarop betaling van de koopprijs geregeld wordt. Niet alleen leent gedaagde sub 2 de koopsom van gedaagde sub 1, maar hiervoor wordt ook zekerheid gesteld. Die zekerheid bestaat onder andere uit het pandrecht op de vorderingen van failliet, waardoor gedaagde sub 1 in een volkomen andere positie tegenover het – resterende – vermogen van failliet komt te staan. Zij zal zich op alle vorderingen van failliet kunnen verhalen, zelfs buiten een faillissement om. Voorshands lijkt failliet in strijd met het verbod van art. 2:207c BW te hebben gehandeld. Nakoming van de verplichtingen uit de borgstelling en de verpanding zou dan ook onverplicht zijn geschied. Het belang voor failliet bij de gekozen constructie ligt volgens gedaagde sub 1 in de mogelijkheid de onderneming voort te zetten. Van het resultaat hiervan is echter niets gebleken. Gebleken is slechts dat gedaagde sub 1 haar schade, gelegen…

Verder lezen
Terug naar overzicht