Naar de inhoud

Sign. - Pandhouder meldt voornemen tot uitwinning bodemzaken ten onrechte niet aan Ontvanger (Rb. Zeeland-West-Brabant 15 december 2016, «JOR» 2017/119, m.nt. mr. dr. A.J. Tekstra)

Een (middellijk) aandeelhouder verstrekt een lening aan de BV en krijgt een pandrecht op de materiële activa van de BV. Kort voor het faillissement van de BV oefent de aandeelhouder het pandrecht uit, waarbij de materiële activa worden verkocht aan een gelieerde vennootschap voor € 35.000. De fiscus is van mening dat de pandhouder het voornemen tot uitwinning had moeten melden ex art. 22bis Iw 1990.

De rechtbank geeft de fiscus gelijk en overweegt als volgt. Niet is gesteld of gebleken dat de verkoop werd verricht in de normale bedrijfsuitoefening van C BV. Integendeel: de handelingen vonden plaats in het kader van het stopzetten daarvan en het voorziene faillissement van C BV. Art. 22bis Iw 1990 is van toepassing indien sprake was van zaken als bedoeld in art. 22 lid 3 Iw 1990 die zich op de bodem van de belastingschuldige (C BV) bevonden. Art. 22 lid 3 Iw 1990 definieert bodemzaken als roerende zaken die dienen ter stoffering van een huis, waarbij volgens vaste jurisprudentie het begrip ‘huis’ ruim wordt uitgelegd, zodat ook een kantoorruimte daaronder valt. Niet aannemelijk is dat de materiële zaken van C BV – die immers nog tot 23 december 2013 haar onderneming uitoefende – zich niet meer bevonden op de bodem van C BV. Derhalve is ook voldaan aan de eis dat de verpande zaken ten tijde van het voornemen tot uitwinning bodemzaken waren. Uitgaande van hetgeen hiervoor is overwogen, had belanghebbende haar voornemen tot uitwinning van de bodemzaken moeten melden, mits de waarde van die zaken bij het aangaan van de overeenkomst tussen C BV en belanghebbende gelijk was aan…