Sign. - Pandrecht en contractueel boetebeding


Het gaat in dit geding om de vraag of de bank haar na de faillietverklaringen ontstane aanspraak op gederfde winst al dan niet kan verhalen op de door gefailleerden aan haar voor haar (bestaande en toekomstige) vorderingen gestelde zekerheden. Het hof deelt het standpunt van de curatoren dat de bank haar vordering op grond van het contractuele beding tot vergoeding van de gederfde winst niet kan verhalen op de opbrengst van de aan haar verstrekte zekerheden. Het feit dat de bank de zekerheden mede heeft bedongen ter verzekering van toekomstige vorderingen laat onverlet dat een schuldenaar door de faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissementsvermogen behorende vermogen verliest (art. 23 Fw). De gefailleerde vennootschappen hebben dan ook alleen zekerheden kunnen verstrekken voor vorderingen van de bank die vóór de faillietverklaringen zijn ontstaan. Nu de vordering van de bank tot vergoeding van gederfde winst eerst nadien is ontstaan (en kon ontstaan), valt deze vordering niet onder de dekking van de verstrekte zekerheden. De bank heeft nog gesteld dat haar vordering tot vergoeding van gederfde winst berust op een contractueel beding dat al vóór de faillissementen is aangegaan en daarom ex art. 53 Fw kan worden verrekend. Bij die stelling miskent de bank echter dat het in casu niet gaat om een verrekening als voorzien in art. 53 Fw. De vraag óf de vordering van de bank ter zake de winstderving zou kunnen worden beschouwd als een vordering die voldoet aan het criterium dat deze voortvloeit uit handelingen met de gefailleerde van vóór de faillietverklaring is, gelet op het voorgaande, in dit geval niet relevant en kan onbesproken blijven. Faber kan zich niet…

Verder lezen
Terug naar overzicht