Sign. - Partneralimentatie en intering op vermogen


Uit het huwelijk tussen M en V is in 1998 een kind geboren. M en V zijn in 2003 gescheiden, waarbij de rechtbank bepaalde dat M zowel partner- als kinderalimentatie verschuldigd is. De verplichting tot het betalen van partneralimentatie eindigt voor M van rechtswege op 12 november 2015. M is inmiddels hertrouwd. M heeft de rechtbank verzocht de door hem aan V te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2011 op nihil te bepalen.
Volgens M (inmiddels 69 jaar oud) heeft hij vanaf zijn pensionering onvoldoende inkomsten om de verschuldigde partneralimentatie te voldoen. Bovendien, zo stelt M, heeft V voldoende verdiencapaciteit om haar behoefte te kunnen dekken. Zij heeft sinds 2003 ruimschoots de gelegenheid gehad om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
Volgens V, die een bijstandsuitkering geniet, vormen het tijdens het huwelijk bestaan hebbende rollenpatroon, haar gebrekkige opleiding en de door haar ervaren taalbarrière een belemmering om zich met succes op de arbeidsmarkt te kunnen begeven. De rechtbank wijst het verzoek van M af. M gaat in hoger beroep.
Vaststaat dat V sinds 1 januari 2011 een bijstandsuitkering ontvangt. Daarmee is, aldus het hof, haar behoefte aan een bijdrage van M evident. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de Wet Werk en Bijstand voorziet in een inspanningsverplichting om tot betaalde arbeid te komen. Kennelijk voldoet V daaraan, zodat het hof voorbijgaat aan het standpunt van M ten aanzien van de verdiencapaciteit van V. Bovendien is het hof van oordeel dat V, zelfs indien zij inkomen uit arbeid zou verwerven, gezien de omvang van haar behoefte en gezien het feit dat de zij niet…

Terug naar overzicht