Sign. - Prejudiciële vraag over verpanding assurantieportefeuille


De Rechtbank Rotterdam stelt de Hoge Raad de volgende rechtsvraag ter beantwoording bij wijze van prejudiciële vraag: Is het mogelijk om een pandrecht op een assurantieportefeuille te vestigen, ofwel: is een assurantieportefeuille een vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW. De Hoge Raad overweegt dat eiseres in het geding voor de rechtbank een verklaring voor recht vordert, kort gezegd, dat het vestigen van een pandrecht op verzekeringsportefeuilles rechtens mogelijk is en meer in het bijzonder dat de ten behoeve van haar gevestigde pandrechten op alle assurantieportefeuilles die op 1 oktober 2008 toebehoorden aan gedaagde, rechtsgeldig zijn. De curator heeft de mogelijkheid van verpanding van een assurantieportefeuille bestreden en daarnaast onder andere als verweer gevoerd (a) dat de verpanding door gedaagde van haar eigen verzekeringsportefeuille tot zekerheid van de betaling van de koopprijs van haar aandelen nietig is ingevolge art. 2:207c BW en (b) dat de verzekeraar toestemming voor de verpanding diende te verlenen en dat daarvan niet is gebleken. Indien een van de onder (a) of (b) genoemde verweren doel treft, is voor toewijzing van de vordering van eiseres geen plaats en doet de vraag naar de verpandbaarheid van de assurantieportefeuilles niet meer ter zake. De rechtbank heeft deze verweren evenwel nog niet behandeld, wat meebrengt dat nog niet kan worden gezegd dat een antwoord op de aan de Hoge Raad voorgelegde vraag nodig is om op de eis of het verzoek te beslissen, zoals art. 392 lid 1 Rv vereist. De Hoge Raad zal in dit stadium afzien van behandeling van de prejudiciële vraag, zodat de rechtbank de nog niet behandelde verweren kan…

Verder lezen
Terug naar overzicht