Sign. - Proceskostenvergoeding – geen aansprakelijkheid curator


Als uitgangspunt bij de beoordeling van de vordering heeft in de eerste plaats te gelden dat een curator bij de uitoefening van zijn taak uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen moet behartigen en dat hij bij het nemen van zijn beslissingen ook rekening behoort te houden met belangen van maatschappelijke aard. De bijzondere kenmerken van de taak van de curator brengen mee dat zijn eventuele persoonlijke aansprakelijkheid dient te worden getoetst aan een zorgvuldigheidsnorm die daarop is afgestemd. Deze norm komt hierop neer dat een curator behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht (HR 19 april 1996, «JOR» 1996/48 (Maclou)). Verder heeft, ook als het gaat om het handelen van een curator, te gelden dat een ieder in beginsel vrije toegang tot de rechter heeft en derhalve gebruik mag maken van zijn of haar bevoegdheid om een procedure te starten (art. 6 lid 1 EVRM en art. 17 Grondwet). Aan dit grondrecht mogen echter beperkingen worden gesteld, mits deze een legitiem doel dienen en in een proportionele verhouding tot dat doel staan. Nu de bevoegdheid tot procederen voorop staat, vormt art. 3:13 BW het toetsingskader bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie die een toegestane beperking als zojuist bedoeld oplevert. Eisers hebben betoogd dat gedaagde als curator een standpunt heeft ingenomen waarvan hij op voorhand wist of in elk geval had behoren te weten dat het kansloos was. Als komt vast te staan dat hiervan sprake is, kan sprake zijn van een onrechtmatig handelen. Gedaagden hebben onvoldoende…

Verder lezen
Terug naar overzicht