Sign. - Rb. Utrecht 20 april 2011, LJN BQ1652


Werknemer vordert een veroordeling van zijn werkgever, Trend, tot betaling van € 27.434,85 bruto onder andere bestaande uit een vergoeding voor reisuren. Volgens de werknemer heeft hij op grond van de CAO Metaal en Techniek recht op een vergoeding ter hoogte van het geldende uurloon voor de tijd die gemoeid was met het heen en weer rijden tussen zijn woonadres en de (wisselende) werkplek, omdat zijn werkzaamheden moeten worden aangemerkt als karweiwerkzaamheden in de zin van art. 44 lid 2 van genoemde cao. Volgens Trend kan de werknemer aan de cao niet meer recht op reistijdvergoeding ontlenen dan hem op grond van zijn arbeidsovereenkomst toekomt. De werkzaamheden van werknemer zijn volgens Trend namelijk geen karweiwerkzaamheden in de zin van de cao. De kantonrechter stelt voorop dat de uitleg van cao-bepalingen, gezien de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, dient te geschieden naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Anders dan de werknemer heeft bepleit, dient volgens de kantonrechter echter niet alleen naar het tweede maar ook naar het derde lid van art. 44 cao te worden gekeken. Dit derde lid strekt ertoe dat de vergoeding voor de reistijd van een werknemer die zijn werk elders verricht, ziet op de reistijd die het normale woon-werkverkeer te boven gaat. Aldus heeft Trend door een uur reistijd per dag voor rekening van de werknemer te laten, niet in strijd met de cao gehandeld.

Rb. Utrecht 20 april 2011, LJN…

Verder lezen
Terug naar overzicht