Sign. - Re-integratie, onvoldoende meewerken aan re-integratie, niet opvolgen redelijke voorschriften arboarts, stopzetten loonbetaling, ontbreken deskundigenoordeel


De werkneemster is ziek en de bedrijfsarts adviseert om fysiek activerende begeleiding op te starten, om haar re-integratie te bevorderen. De werkgever heeft besloten een bepaalde therapeut in te schakelen. De werkneemster weigert hieraan mee te werken, omdat zij daar medisch gezien nog niet toe in staat zou zijn en haar behandelaars een dergelijk traject niet zinvol achtten, en omdat de werkneemster geen vertrouwen had in de gekozen therapeut. De werkgever staakt de loonbetaling op grond van art. 7:629 lid 3 sub d BW. De loonvordering van de werkneemster wordt door de kantonrechter (in kort geding) afgewezen, waarna zij in hoger beroep komt. De werkneemster heeft geen deskundigenoordeel overgelegd. Het hof wijst erop dat dat in een kortgedingprocedure in principe niet verplicht is (Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr. 3, p. 64-65, MvT). Het is echter wel aan de werkneemster om te bewijzen dat zij medisch niet in staat was om het geadviseerde traject te volgen. Zij slaagt daarin niet. Dat zij geen vertrouwen heeft in de gekozen therapeut is ook niet voldoende, aangezien de therapeut niet onder gezag van de werkgever staat en eerder ook naar tevredenheid als therapeut van werkneemster heeft opgetreden. Voorts heeft de werkgever gehandeld conform art. 7:611 BW, gelet op de adviezen van de bedrijfsarts en gezien de constatering dat er voldoende rekening is gehouden met de belangen van de werkneemster, zoals onder andere blijkt uit de correspondentie tussen partijen. De werkgever heeft immers ook een plicht tot het aanhouden van een actieve houding ten aanzien van de re-integratie…

Verder lezen
Terug naar overzicht