Sign. - Rechtbank Arnhem: bedrijfsopvolgingsregeling in SW is niet discriminatoir


X heeft in 2005 krachtens erfrecht aandelen in een BV verkregen. Tot het vermogen van de BV behoren vijftien panden die worden verhuurd aan derden. Voor de Rechtbank Arnhem is in geschil of X aanspraak kan maken op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van artikel 35b e.v. SW. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of de BV een materiële onderneming drijft. In de tweede plaats betreft het de vraag of de bedoelde faciliteit discriminatoir is. X verwijst hierbij naar de uitspraak van de Rechtbank Breda van 13 juli 2012 (LJN BX3386).
De rechtbank overweegt ten aanzien van de eerste vraag onder meer dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door de erflater ter zake van de panden verrichte arbeid qua aard en omvang normaal vermogensbeheer te boven ging. De door X gestelde verbouwings- en splitsingswerkzaamheden droegen een dermate incidenteel karakter dat zij ook tezamen met de overige werkzaamheden niet tot een materiële onderneming kunnen leiden. Aan het in de rechtspraak opgenomen duurzaamheidsvereiste wordt hiermee immers niet voldaan. Nu de BV geen materiële onderneming drijft, is niet voldaan aan de eisen van artikel 35b SW.
Wat betreft de tweede vraag, overweegt de rechtbank onder meer dat het vraagstuk of sprake is van gelijke gevallen moet worden bezien vanuit de doelstelling van de regeling. Uit de wetsgeschiedenis blijkt onmiskenbaar dat het doel van de bedrijfsopvolgingsregeling is het voorkomen van liquiditeitsproblemen bij ondernemingen als gevolg van de heffing van schenkings- of successierecht opdat het voortbestaan van de ondernemingen niet in gevaar komt. Bezien vanuit dat doel brengen erfrechtelijke verkrijgingen van ondernemings- en privévermogen verschillende risico's met zich en zijn zij als zodanig niet te…

Terug naar overzicht