Sign. - Rechtsmacht Nigeriaanse Shell dochter


Een ondergrondse oliepijpleiding waarvan de SPDC (een Nigeriaanse vennootschap die tot het Shell concern behoort) de operator is, heeft gelekt. Milieudefensie vordert (tezamen met twee Nigeriaanse boeren) een verklaring voor recht dat moedervennootschap Royal Dutch Shell (RDS) en de Nigeriaanse dochtervennootschap onrechtmatig hebben gehandeld. Misbruik van procesrecht De vorderingen tegen RDS konden niet als op voorhand evident kansloos worden aangemerkt, omdat op voorhand niet onverdedigbaar was dat een moedervennootschap van een dochtervennootschap onder omstandigheden op grond van het Nigeriaanse recht aansprakelijk kan zijn wegens een tort of negligence tegen personen die schade hebben geleden door de activiteiten van die (klein)dochtervennootschap (Chandler v. Cape). Van misbruik van procesrecht door Milieudefensie c.s. was en is daarom geen sprake. Bevoegdheid rechtbank In het Painer arrest (HvjEU 1 december 2011, C-145/10) is overwogen dat wanneer tegen diverse verweerders ingestelde vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben, dat feit op zich niet in de weg staat aan toepassing van art. 6 lid 1 EEX-Verordening, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar tenminste één van hen zijn woonplaats had. Volgens Shell c.s. kan die rechtsregel uit het Painer arrest analoog worden toegepast op art. 7 lid 1 Rv. Shell c.s. betogen dat het voor het Nigeriaanse SPDC niet voorzienbaar was dat zij met betrekking tot de onderhavige olielekkage in Nederland zou worden gedagvaard en dat ook daaruit volgt dat aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt voor de tegen SPDC ingestelde vorderingen. Dit betoog faalt. ten eerste zijn de vorderingen tegen RDS…

Verder lezen
Terug naar overzicht