Sign. - Rechtsplicht tot het afleggen van een verklaring derdenbeslag (Rechtbank Limburg 21 juni 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:5692 (publicatiedatum 22 juni 2017))


Eisers hebben een geschil met vennootschappen die behoren tot de groep van Otto Nederland. Eisers vorderen de veroordeling van Otto Nederland B.V. c.s. (ieder afzonderlijk) een verklaring af te leggen die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 476a lid 2 en 476b Rv, zulks op verbeurte van een dwangsom. Eiser stellen dat het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting tot het afleggen van bovenbedoelde verklaring jegens hen onrechtmatig is.

Volgens Otto kunnen eisers het nakomen van de verklaringsplicht van Otto Nederland B.V. c.s. als derde-beslagenen enkel afdwingen wanneer zij over een in een bodemprocedure verkregen onherroepelijke executoriale titel beschikken. Omdat zij daarover (nog) niet beschikken, komen hun niet de bevoegdheden toe als vermeld in artikel 477a Rv.

Eisers stellen dat hun belang is dat zij door het afleggen van een deugdelijke verklaring in staat worden gesteld te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre het beslag doel heeft getroffen en op welk(e) verhaalsobject(en) het rust. Deze informatie kan van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of het zin heeft de bodemprocedure al dan niet voort te zetten.

Beoordeling

Het is juist dat artikel 477a Rv aan de beslaglegger alléén in de executoriale fase van het derdenbeslag de bevoegdheid geeft een verklarings- of uitwinningsprocedure tegen de derden-beslagene(n) in te stellen. Echter, eisers hebben hun vordering niet op dit artikel gebaseerd maar hebben daaraan een onrechtmatige daad ten grondslag gelegd. Daarom moet worden onderzocht of deze grondslag de vordering kan dragen.

Vooropgesteld wordt dat in artikel 718 Rv…

Verder lezen
Terug naar overzicht