Sign. - Rente


 

Belanghebbende deed een dividenduitkering aan een verbonden lichaam en betaalde rente over een met de dividenduitkering verband houdende schuld aan een Belgisch coördinatiecentrum binnen het concern. Het coördinatiecentrum betaalde in feite geen belasting over de rente. in dit arrest over art. 10a Wet Vpb (tekst 2001) herhaalt de Hoge raad dat de zakelijkheid van de rechtshandeling niet uitsluit dat de wijze van financiering onzakelijk is. Vervolgens is het aan de belastingplichtige tegenbewijs te leveren. De Hoge raad behandelt de vraag of de tegenbewijsregeling in strijd komt met EU recht. Daarbij veronderstelt hij een belemmering van de vrijheid van vestiging. Hij overweegt dat art. 10a(2) Wet Vpb – wanneer het binnen de EU gevestigde vennootschappen betreft – beoogt volstrekt kunstmatige constructies te bestrijden. Art. 10a(3) Wet Vpb biedt een tegenbewijsregeling. Deze voldoet volgens de Hoge raad aan de eisen die het EU recht stelt. Tevens overweegt de Hoge raad dat het evenredigheidsbeginsel niet vereist dat slechts het verschil tussen de redelijke belastingheffing over de rente en de daadwerkelijk betaalde rente moet worden gecorrigeerd.
(HR 1 maart 2013, nr. 11/00675, LJN BV1426, V-N 2013/12.19, NTFR 2013/506)

 

Verder lezen
Terug naar overzicht