Sign. - Schending beginsel hoor en wederhoor


Ook bij een ruime opvatting met betrekking tot het toepassingsbereik van art. 31 Rv valt daaronder niet een geval als het onderhavige, waarin wordt verzocht een met schending van het beginsel van hoor en wederhoor gegeven beslissing tot ontslag van instantie te herstellen door deze beslissing terug te nemen of te herzien. Hier wordt in wezen niet herstel van een kennelijke vergissing gevraagd, maar herstel van een (ernstig) processueel verzuim van de rechtbank. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat (overeenkomstige) toepassing had moeten worden gegeven aan art. 31 Rv is het dan ook tevergeefs voorgesteld. Het hiervoor overwogene brengt niet mee dat het verzuim van de rechtbank de curator(en) op te roepen ten einde zich over het gevraagde ontslag van instantie uit te laten, niet zou kunnen worden hersteld. Het ontslag van instantie op de voet van art. 27 Fw raakt rechtstreeks de positie van de curator en de door hem beheerde faillissementsboedel. Indien een dergelijke ingrijpende beslissing wordt genomen zonder behoorlijke oproeping van de curator, is sprake van een processueel verzuim dat rechtstreeks de toegang tot de rechter raakt en dat bij het ontbreken van een verzetprocedure niet binnen het nationale procesrecht kan worden hersteld. Onder deze omstandigheden leidt onverkorte toepassing van de regeling inzake de termijn voor hoger beroep tegen de verlening van ontslag van instantie tot een resultaat dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Dit brengt mee dat mede op grond van art. 6 EVRM moet worden aangenomen dat in gevallen als het onderhavige de termijn voor hoger beroep tegen de desbetreffende rolbeslissing, indien deze termijn…

Verder lezen
Terug naar overzicht