Sign. - Schending herfinancieringsconvenant


In deze procedure vordert de bank betaling van verweerder (in cassatie) van een bedrag uit hoofde van lening. Verweerder heeft zich tegen de vordering verweerd met de stelling (a) dat de bank is tekortgeschoten in de uitvoering van een convenant en dat zij verplicht is tot schadevergoeding omdat zij zich niet aan het convenant en de uitwerking daarvan heeft gehouden. Voorts heeft verweerder gesteld (b) dat de bank gehandeld heeft in strijd met de redelijkheid en billijkheid: indien hij geweten had dat de bank in strijd met de afspraken het krediet vroegtijdig zou inperken, zou hij nooit in privé € 900.000 van de bank hebben geleend om in het bedrijf te steken. Nu de bank (als enige) het convenant niet is nagekomen, zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat zij verweerder houdt aan verplichtingen die onlosmakelijk met het convenant verbonden zijn. Het hof heeft de onder (a) en (b) genoemde stellingen van verweerder gegrond geoordeeld. Het onderdeel klaagt dat het hof zonder motivering is voorbijgegaan aan een aantal in het onderdeel genoemde stellingen van de bank. De eerste daarvan luidt dat de bank gerechtigd was tot de kredietbeperking eind december 2002. Het is echter juist in dit verband dat verweerder zijn stelling heeft aangevoerd dat de bank eind december 2002 niet gerechtigd was het krediet te beperken, nu verweerder had voldaan aan de in het convenant gestelde voorwaarden voor voortzetting van het krediet. In het licht hiervan behoefde het klaarblijkelijke oordeel van het hof dat genoemde stelling van de bank (dus) ongegrond is, geen motivering. Het onderdeel verwijst voorts bij genoemde…

Verder lezen
Terug naar overzicht