Sign. - Stornering


 

Uitgangspunt is dat op geïntimeerde de bewijslast rust van zijn stelling dat hij aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan zodat zijn schuld aan appellante is teniet gegaan. Betaling vindt plaats op het tijdstip van creditering van de rekening van de schuldeiser (art. 6:114 lid 2 BW). Indien stornering mogelijk is, heeft creditering vooralsnog echter slechts de betekenis van een betaling onder de opschortende voorwaarde dat binnen de daarvoor geldende termijn geen gebruik is gemaakt van de storneringsbevoegdheid (HR 3 december 2004, «JOR» 2005/51 (Mendel q.q./ABN Amro Bank) en HR 16 september 2011, «JOR» 2012/228 (SNS Bank/Pasman q.q.)). Niet betwist is dat in de relatie tussen appellante, geïntimeerde en de girale instelling stornering mogelijk was. gelet op de voormelde bewijslastverdeling en de stelling van appellante dat zij slechts twaalf van de vijftien door geïntimeerde verrichte overboekingen heeft ontvangen – in de vorm van (definitieve) crediteringen – dient geïntimeerde te bewijzen dat voor de resterende drie overboekingen de eerder genoemde opschortende voorwaarde is vervuld.

 

(Hof 's Gravenhage 9 oktober 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9855, «JOR» 2013/283)

 

Verder lezen
Terug naar overzicht