Sign. - Tenietgaan pandrecht door schone lei


Uit het arrest van de HR van 13 maart 2009 («JOR» 2009/152 (Van Wijk/iNG Bank)) en de daarin genoemde wetsgeschiedenis van art. 299 lid 3 Fw volgt dat de schuldsanering de bevoorrechte positie van pand- en hypotheekhouders onverlet laat. in deze zaak is de verpande zaak een concurrente vordering van de ouders op gedaagde uit hoofde van een geldlening. Die vordering bestond al vóór de aanvang van de schuldsanering en valt dus onder de werking van die regeling. Omdat de schuldsanering is geëindigd met het verlenen van de schone lei, kan de verpande vordering niet meer geldend worden gemaakt. Dit betekent dat de zekerheid voor de voldoening van de kredietovereenkomst is tenietgegaan en op grond van art. 3:81 lid 2 BW ook het pandrecht en het voorrecht dat de bank op grond daarvan claimt. Er resteert alleen een concurrente vordering op grond van de kredietovereenkomst, maar die is op grond van het bepaalde in art. 358 lid 1 Fw niet meer in rechte afdwingbaar. (Rb. Roermond 1 juni 2011, LJN BQ7405, «JOR» 2012/56)

Verder lezen
Terug naar overzicht